Lagere woonlasten voor wie het kan betalen
Woningmarktmonitor mei 2026

7 mei 2026, door Mike langen, senior econoom bij ABN AMRO.
“Gemiddeld lijkt wonen beter betaalbaar, maar onder de oppervlakte groeien de verschillen.” Dat zegt Mike Langen, senior econoom woningmarkt bij ABN AMRO. In dit artikel laat hij zien wie beter en wie minder goed af is op de woningmarkt.
Lagere woonlasten, grote verschillen
Tussen 2019 en 2025 daalden de woonlasten in bijna alle regio’s. Dat geldt voor huiseigenaren én huurders in de vrije sector. De belangrijkste reden is simpel. Inkomens stegen sneller dan huren en hypotheken. Daardoor houden veel huishoudens meer geld over. Maar dit gemiddelde beeld zegt niet alles. Achter de cijfers gaan grote verschillen schuil.
Huizenprijzen stegen hard
De huizenprijzen zijn de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. Dat klinkt heftig, maar ongeveer de helft van deze stijging komt door inflatie. Dit is de algemene stijging van prijzen in de economie. Tegelijkertijd stegen lonen ook sterk. Cao-lonen gingen met circa 35% omhoog. Het reëel beschikbare inkomen (inkomen na correctie voor prijsstijgingen) steeg met ongeveer 20%. Daardoor konden huishoudens meer lenen en bleef de vraag naar woningen hoog.
Grote regionale verschillen
In alle regio’s daalden de woonlasten, maar niet even sterk. Huiseigenaren betalen gemiddeld 20 tot 28% van hun inkomen aan wonen. In de grote steden, zoals Amsterdam en Utrecht, ligt dit hoger. Rotterdam valt op door een sterke daling, dankzij snelle inkomensgroei. Huurders in de vrije sector betalen meer: vaak 28 tot 38% van hun inkomen. Ook hier zijn de verschillen per regio groot.
Starters hebben het moeilijker
Starters op de woningmarkt (huishoudens jonger dan 35 jaar) hebben het moeilijker. In de meeste regio’s daalden hun woonlastenratio (deel van het inkomen dat naar wonen gaat) slechts met 1 procentpunt. In de vier grote stede stegen de woonlasten zelfs. In Amsterdam betalen starters nu tot 2 procentpunten meer van hun inkomen aan wonen dan in 2019. Daardoor groeit de kloof tussen starters en huiseigenaren die al langer een koopwoningen hebben.
Minder ruimte, hogere prijs per vierkante meter
Starters en jonge huurders wonen steeds kleiner. Hun woningen zijn gemiddeld 10 tot 15 m² kleiner dan die van huiseigenaren die al langer een woning hebben. Toch betalen ze meer per vierkante meter. In de grote steden betalen koopstarters tot 20% meer per m² dan in 2019. Voor jonge huurders loopt dat op tot 30%. Lagere totale woonlasten komen dus vaak door minder woonruimte.
Conclusie
Kortom, wonen wordt gemiddeld betaalbaarder, maar niet voor iedereen. Leeftijd, regio en woonvorm maken veel verschil. Wie al een woning heeft, profiteert. Wie wil instappen, heeft het steeds lastiger.