Koopkracht

Koopkracht verbetert meer dan in voorgaande jaren

De ramingen die het CPB in augustus presenteerde, lieten een verbetering van de koopkracht1 in 2020 zien van in doorsnee 1,2%, vooral dankzij een stijging van de reële lonen. Het kabinet vond dat echter te mager. Daar komt bij dat de afgelopen jaren de koopkrachtstijging uiteindelijk lager uitviel dan eerder in de Miljoenennota’s was verwacht. Vooral in 2017 en 2018 bleef maar weinig verbetering van de koopkracht over2.

Extra geld voor koopkracht in 2020

Om de koopkracht in 2020 extra te laten stijgen, heeft het kabinet meer geld ingezet. Kennelijk - en begrijpelijk (want er zijn verkiezingen in maart 2021) - wil het kabinet de gezinshuishoudens méér laten meedelen in de sterke economische groei van de voorbije jaren. Dankzij extra lastenverlichting kan de koopkracht volgend jaar in doorsnee3 omhoog met 2,1%, in plaats van 1,2%. Dit cijfer is een soort gemiddelde. Volgens het CPB kan de helft van de huishoudens in 2020 een koopkrachtstijging tussen 1,3% en 2,7% verwachten.  Dat was dit jaar tussen 0,7% en 1,7%. De koopkracht gaat het meest omhoog bij werkenden, midden- en hoge inkomens en bij gezinnen met kinderen.

Het kabinet betaalt de koopkrachtverbetering onder meer door de voor 2021 geplande lastenverlichting naar voren te halen. (Al in 2020 zullen daardoor nog maar twee tarieven voor de inkomstenbelasting gelden, in plaats van drie.) Bovendien stelt het de verlaging van de vennootschapsbelasting voor grote bedrijven uit. Eerder was al besloten de energiebelasting te verlagen.

… maar niet alle groepen maken het verlies van de jaren 2010-2013 goed

Overigens is de koopkracht in de voorbije jaren gemiddeld wel degelijk wat verbeterd. Sinds 2013 (het laatste jaar met economische krimp) is de koopkracht tot en met dit jaar naar schatting bijna 7% gestegen. Daarmee is het koopkrachtverlies van de crisisjaren 2010-2013 goedgemaakt. Maar dat geldt niet voor alle groepen. Werkenden zijn gemiddeld weliswaar beter af dan gemiddeld, maar uitkeringsgerechtigden en vooral gepensioneerden hebben het verlies nog niet kunnen goedmaken. Ook in 2020 zal dat trouwens nog niet het geval zijn.

Het inkomensherstel is vooral zichtbaar in de forse banengroei

De ontwikkeling van de (statische) koopkracht is in de voorbije jaren duidelijk achtergebleven bij de economische groei. Toch hebben huishoudens wel degelijk geprofiteerd van het economisch herstel. Dat zien we in de krachtige groei van de werkgelegenheid. Vergeleken met het dal in het voorjaar van 2014 zijn er nu bijna 800 duizend mensen méér aan het werk - een stijging van bijna 10%. Het banenverlies van de crisisjaren is daarmee ruim goedgemaakt. Ten opzichte van de vorige piek van de werkgelegenheid - begin 2009 - zijn er nu ruim 500 duizend of 6% werkenden meer. 

Als we loonstijgingen, banengroei, belastingmaatregelen en inflatie bij elkaar nemen, zien we dat het reëel beschikbaar inkomen sinds 2009 met gemiddeld bijna 1% per jaar is gestegen. Een bescheiden stijging. Het is de resultante van een daling in de jaren 2010-’13 en een gemiddelde jaarlijkse stijging van 1¾% in de periode 2014-2019.

Invloed kabinet op koopkrachtplaatjes is beperkt

De grote aandacht van de politiek voor koopkrachtplaatjes is begrijpelijk, maar ook wat overtrokken. Begrijpelijk, omdat men streeft naar een evenwichtige verdeling van de koopkrachtontwikkeling tussen de verschillende groepen. Overtrokken, omdat de koopkrachtstijging niet met overheidsmaatregelen kan worden vastgelegd. Het gemiddelde koopkrachtbeeld wordt immers ook bepaald door loonstijgingen, inflatie en de ontwikkeling van de zorgpremies en de pensioenen. 

Dat de koopkrachtstijging in 2017 zoveel lager uitviel dan eerder was geraamd, kwam doordat de inflatie in dat jaar veel hoger uitviel. In de twee jaren daarvoor was juist het tegenovergestelde het geval omdat de inflatie toen veel lager uitviel. In 2018 tastten zowel de tegenvallende contractloonstijging als de inflatie de koopkrachtverbetering aan. Dit jaar blijft de koopkrachtverbetering vooral achter bij de eerdere raming door de lager-dan-verwachte contractloonstijging.

1 Het betreft hier de ‘statische’ koopkracht. Veranderingen in persoonlijke omstandigheden (bijv. wisselen van baan, promotie, pensionering, wijziging in de samenstelling van het huishouden) blijven buiten beschouwing.

2 In de MEV 2017 werd de koopkrachtstijging voor 2017 geraamd op 1,0%; het werd slechts 0,3%. De MEV 2018 voorzag voor 2018 een stijging van 0,6%; het werd 0,2%. De MEV van vorig jaar verwachtte een stijging van 1,5%; het lijkt 1,2% te worden.

3 Het gaat om de zogeheten ‘mediane’ koopkracht. De mediaan is de middelste van de naar grootte gerangschikte koopkrachtontwikkeling van personen uit een groep (bijv. alle huishoudens, of werkenden, uitkeringsgerechtigden, gepensioneerden, alleenstaanden enz.).

Prinsjesdag 2019

De nieuwe (fiscale) maatregelen voor 2020 zijn bekend. Zoals op het gebied van vennootschapsbelasting, duurzaamheid en lenen bij de eigen vennootschap.

Bekijk hier hoe het nieuwe regeringsbeleid uitpakt voor het bedrijfsleven. Met onze analyses van de grote Prinsjesdag-dossiers weet u snel van de hoed en de rand.

Top 3 voorbeschouwing Prinsjesdag

De hoed en de rand

Bekijk alle onderwerpen op onze Prinsjesdag overzichtspagina.

Prinsjesdag 2019

Tags