
In de stad Utrecht verrijst in de Merwedekanaalzone een nieuwe buurt met maar liefst 12.000 nieuwe woningen. Het betreft een van de grootste binnenstedelijke woningbouwprojecten van Nederland. Maar door netcongestie was het project bijna mislukt.
Dankzij een intensieve samenwerking tussen overheid, netbeheerders en de bouwsector kunnen cruciale voorzieningen toch aangesloten worden op het elektriciteitsnet, aldus Margriet de Groot, Senior adviseur Netcongestie en Energietransitie bij de Provincie Utrecht.
In dit interview gaat ze ook in op veranderingen in de omgevingsverordening, de nieuwe norm netbewust bouwen en het nieuwe prioriteringskader van de ACM.
Wanneer kwam Merwedekanaalzone bij de provincie écht op het netvlies, en wat was de rol van de provincie daarbij?
“De gemeente Utrecht trok als eerste aan de bel. Bij de uitwerking van de Merwedekanaalzone voorzag men dat cruciale voorzieningen niet meer aangesloten konden worden door de afgekondigde netcongestie. Vanaf dat moment is het voor ons gaan leven. De provincie was niet de initiator van het project, dat is de gemeente, maar we zijn wel nadrukkelijk de verbindende partij geworden tussen projectontwikkelaars, gemeente en netbeheerders.”
Hoe ziet de energiehub in de Merwedekanaalzone er concreet uit – contractueel en technisch?
“De kern is een groepstransportovereenkomst (GTO) met Stedin, waarbij meerdere partijen gezamenlijk binnen één capaciteitsplafond blijven. Het totaal voor de Merwedekanaalzone stond gepland op 8 megawatt (MW) en dat is naar onder de 5,2 MW gebracht. Binnen het collectief zitten naast ontwikkelcombinaties ook Essent, dat de warmte/koudevoorziening en buffering exploiteert. Het gaat nadrukkelijk verder dan alleen de woningbouw. De zogeheten plint, met daarin winkels, scholen, horeca en dergelijke, kon nu worden meegenomen. Naast collectieve warmte, onder andere uit het Merwedekanaal, omvat het project ook energiebuffers, eigen opwek en collectieve laadpleinen die tijdens de pieken geen tot minder vermogen leveren.
Waarom die stap van 8 naar 5 MW? En hoe past het grootverbruik daarin?
“De netbeheerder had binnen de bestaande capaciteit 5 MW kleinverbruik gereserveerd ten behoeve van woningbouw. De vraag was: ‘Kunnen we óók het grootverbruik binnen die 5 MW organiseren als één groep?’ Dat is gelukt door het toepassen van principes van netbewuste nieuwbouw: de mix van woningen en voorzieningen maakt het mogelijk om vraag en aanbod van energie op een slimme manier bij elkaar te brengen. Uiteindelijk is de gezamenlijke capaciteit vastgelegd in een groepstransportovereenkomst. Daarmee konden ook voorzieningen die grootverbruikaansluitingen nodig hebben worden meegenomen. Het sleutelprincipe is samen sturen op het totaalprofiel, niet op individuele functies.
“Netbewuste nieuwbouw en de mix van woningen en voorzieningen maakt het mogelijk om vraag en aanbod van energie op een slimme manier bij elkaar te brengen.”

Margriet de Groot
Senior adviseur Netcongestie en Energietransitie
Provincie Utrecht
Waar zat dan de grootste complexiteit? Welke lessen zijn hieruit te trekken?
“Twee dingen. Eén: nieuwe rolverdeling en aansprakelijkheid. Huishoudens kun je niet verbieden stroom te gebruiken. Als zij massaal extra verbruik creëren doordat ze bijvoorbeeld allemaal hun airco aanzetten, gaat dat ten koste van de ruimte voor de grootverbruikers binnen het groepscontract. Die partijen moesten dus onderling afspraken maken, risico’s mitigeren en verzekerbaarheid regelen. Dat kostte tijd.
Twee: de juridische en operationele nieuwigheid bij alle partijen. Het is een heel innovatief en complex project; formeel zijn groepscontracten voor kleinverbruikers nog niet toegestaan en deze pilot biedt oogluikend een oplossing, maar vraagt ook nog heel veel operationele uitwerking. Dat kost tijd en binnen ons speelveld ‘netcongestie’ is tijd nu net wat we niet hebben. We concentreren ons daarom op dit moment samen met de netbeheerders op kleinere vervolgprojecten waar enkelvoudige contracten met bijvoorbeeld congestieverzachters mogelijk zijn. Daarmee creëren we extra ruimte op het net en mogelijkheden om woongebieden aan te sluiten.”
En hoe organiseer je op bedrijventerreinen de ‘stroomkoppelaars’ en hun financiering?
“We hebben in Utrecht een aanpak voor Energiehubs met vier fasen. In de eerste fase stimuleren we het ontstaan van samenwerkingsverbanden tussen ondernemers. In de tweede fase ondersteunen we pioniers bij haalbaarheidsonderzoeken. Er is een pool van hub-regisseurs beschikbaar: experts die terreininitiatieven begeleiden. Ondernemers kunnen ook kiezen om subsidie aan te vragen. De financiële middelen daarvoor komen uit de USET-regeling. Let op: we betalen niet structureel de externe adviesrekeningen van ieder terrein. Maar we zorgen wél voor een pool van regisseurs, kennis en waar nuttig voor beperkte financiële ondersteuning in de verkenning. Verder hanteren we een ‘fasen-aanpak’: verkennen van de urgentie, potentie en samenwerkingsgraad, dan verdiepen, en pas dán de uitvoering.
Een concreet voorbeeld: op bedrijventerrein Lage Weide startte een initiatief dat in eerste instantie door de bedrijven, Rabobank en gemeente Utrecht werd gefinancierd en later subsidie ontving van de provincie.”
“Het is een heel innovatief en complex project en deze pilot biedt oogluikend een oplossing, maar vraagt ook nog heel veel operationele uitwerking.”

Margriet de Groot
Senior adviseur Netcongestie en Energietransitie
Provincie Utrecht
Wat verandert er met de nieuwe omgevingsverordening en de norm voor ‘netbewust bouwen’?
“De Provincie Utrecht legt in de omgevingsverordening vast dat alle nieuwe woningbouwprojecten netbewust moeten worden ontworpen. De norm voor netbewust bouwen is geen techniekvoorschrift, maar een resultaatnorm: een maximale piekbelasting per project, als het ware uit te smeren over woningen en gezamenlijke voorzieningen. Ontwikkelaars mogen zelf de optimale technische en bouwkundige mix kiezen – bijvoorbeeld isolatie, warmtepompen, buffers, vraagsturing – als ze maar onder de norm blijven. De norm is ontwikkeld samen het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), de netbeheerders en marktpartijen. Door invoering van deze norm kunnen we de beperkte netcapaciteit zo slim mogelijk inzetten en zoveel mogelijk projecten mogelijk maken.
Gemeenten vertalen onze instructieregels naar omgevingsplannen en toetsen straks aanvragen hieraan. We noemen dit inmiddels formeel de ‘norm voor netbewust bouwen’. Eerder spraken we over ‘netbudget’, maar die term wekte het misverstand dat vermogen dan al gereserveerd is. Dit is vernieuwend en we valideren de effecten komend half jaar; zo kunnen we gericht bijstellen. Bovendien trekken we hierin samen op met de provincies Gelderland en Flevoland: wij regelden de normontwikkeling, Gelderland de juridische inbedding, waarna we het geüniformeerd hebben. De samenwerking was goed en de ontwerpverordening is tijdig opgeleverd. Partijen kunnen nu daarop reageren. De komende tijd werken we samen met gemeenten aan de gemeentelijke plannen. We verwachten dat deze maatregel in december 2026 in werking zal treden.”
Wat vindt u van het nieuwe prioriteringskader van ACM, vooral voor woningbouw?
“Inhoudelijk is het kader logisch en nodig. Het oude systeem leunde op een praktijk waarin netbeheerders capaciteit voor kleinverbruik zoals woningbouw reserveerden. Bij het opstellen van het oude kader was volgens de rechter onvoldoende gemotiveerd welke partijen met een maatschappelijk belang voorrang kregen op het stroomnet bij netcongestie. Nu zijn basisbehoeften, zoals wonen en openbaar vervoer, expliciet benoemd in de categorisering en prioritering.
Wél is er een heikel punt: het aanvragen van netcapaciteit na een ‘huisnummerbesluit’. Tot dusver kun je geen transportcapaciteit aanvragen voordat je gebouw en/of woningen door de gemeente een officiële adrestoekenning en BAG-registratie hebben gekregen van de gemeente. Dat is erg laat in het planproces en creëert grote realisatierisico’s voor ontwikkelaars en bouwers. In het nieuwe kader willen we juist vroeg en eerlijk prioriteren, maar dan moet woningbouw ook eerder kunnen aanvragen.
Daarom werkt nu een brede coalitie, bestaande uit onder andere de ACM, het Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het ministerie van VRO, Stedin en Netbeheer Nederland, aan een uniform, eerder aanvraagproces met voldoende realisatiezekerheid, zodat we geen schijncapaciteit vastzetten. Tot juni 2026 verandert het aanvraagproces niet en geldt het oude kader nog; daarna moet de nieuwe werkwijze landen.”
“Netcongestie vraagt om gebiedsgericht combineren. Door functies te mengen kun je profielen complementair maken en beter bufferen.”

Margriet de Groot
Senior adviseur Netcongestie en Energietransitie
Provincie Utrecht
Wat is, vooruitkijkend, de slimste weg uit de congestie?
“Gebiedsgericht combineren. We hebben te lang in silo’s gedacht: ‘wonen hier, werken daar’. Juist door functies te mengen kun je profielen complementair maken en beter bufferen. Dat vraagt soms ook grensoverschrijdend denken tussen onderstations. En heel veel aandacht voor energieplanologie in een vroeg stadium. Dat is lastig, maar soms noodzakelijk. Tegelijkertijd moeten we communiceren, herhalen en van elkaar leren: we delen elke twee maanden praktijklessen in zogenoemde netcongestiewerkplaatsen, met gemeenten en marktpartijen. De grootste systeemwinst zit in structureel samenwerken, transparantie en voorspelbaarheid.
We kunnen de complexiteit niet ‘wegpoetsen’, maar we kunnen wel spelregels afspreken die innovatie mogelijk maken en recht doen aan schaarste. De GTO bij de Merwedekanaalzone laat zien dat het kan, mits je integraal kijkt, profielen bundelt en vertraging gebruikt om risico’s eerlijk te verdelen. De omgevingsverordening en het ACM-kader bieden daarvoor een leidraad en creëren een gelijk speelveld. De echte versnelling zit in samenwerking tussen overheid, netbeheerders, financiers en ontwikkelaars.”
Meer informatie
Lees meer over netcongestie in het rapport 'Netcongestie: Op zoek naar de grens'.
Lees verder in de bouwsector
De Nederlandse bouwsector is het economische en maatschappelijke fundament onder veel andere sectoren. De sector kent verschillende uitdagingen zoals het stikstof-dossier, netcongestie, personeelstekorten en de noodzaak van productiviteitsverbetering. Geholpen door technologische innovaties en digitalisering, vindt de sector een antwoord op de uitdagingen en veranderende wet- en regelgeving. Daarbij is inzet van de hele keten nodig, van ingenieurs tot en met installateurs. Nu thema's als energie efficientie, milieu-impact, circulariteit en prefabricage aan relevantie winnen, zoekt de bouwsector naar een nieuw evenwicht tussen ambities, haalbaarheid en uitvoering.
