Javascript is requiredTerwijl de wereldhandel floreert, valt export voeding lager uit - ABN AMRO

Terwijl de wereldhandel floreert, valt export voeding lager uit

De mondiale AI-wedloop en forse defensie-investeringen stuwen de totale Nederlandse export met 3,7 procent over de eerste zeven maanden van 2026. Onderliggende cijfers vertellen echter een heel ander verhaal voor sectoren die geen machines of defensieonderdelen produceren. De Nederlandse uitvoerwaarde van voedingsmiddelen over de eerste zeven maanden van het jaar daalt met circa 8,7 procent ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder.

Download het complete rapport

Lees alle feiten en ontwikkelingen in het rapport 'Stand van de Food Sector'.

Grofweg 75 procent van de daling hangt samen met lagere producentenprijzen voor voedingsmiddelen, blijkt uit berekeningen van ABN AMRO (zie tabel 1). De overige terugval komt door lagere volumes en een verschuiving naar producten met een lagere exportwaarde. Dat doet pijn bij de voedingsmiddelenindustrie, die immers de helft van haar producten buiten de landsgrenzen verkoopt. De achterblijvende export is te verklaren door tijdelijke economische tegenwind, maar kent ook enkele structurele oorzaken.

Vraag in Europa blijft achter

Met een marktaandeel van 80 procent is Europa veruit de belangrijkste afzetmarkt voor Nederlandse voedingsmiddelen, zie tabel 2. Hoewel de voedselinflatie afneemt, liggen de Europese voedselprijzen nog altijd fors hoger dan enkele jaren geleden. De prijsbewuste consument heeft de perceptie dat boodschappen duur zijn en let daardoor sterk op zijn aankopen. Daarbij neemt de koopkracht in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk slechts mondjesmaat toe. Retailers sturen daarom nadrukkelijk op prijs, promoties en een groter aanbod van huismerken. Als resultaat zien Nederlandse voedingsmiddelenproducenten dat de afzet naar Europese landen, goed voor 80 procent van de exportwaarde, met 8 procent daalt, zie tabel 2.

Hogere transportkosten verslechteren positie buiten Europa

Door de oorlog in Iran en de sluiting van de Straat van Hormuz zijn de brandstofprijzen flink gestegen en logistieke ketens verstoord. Daardoor zijn de transportkosten sterk gestegen. Dit is ook zichtbaar in de Shanghai Containerized Freight Index, een belangrijke graadmeter voor mondiale containerprijzen (zie figuur 1).

Vooral de export naar markten buiten Europa ondervindt hiervan hinder. Deze markten zijn goed voor ongeveer 20 procent van de export van Nederlandse voedingsmiddelen. Naarmate de vervoersafstand groter is, drukken hogere vrachtkosten zwaarder op de kostprijs en verslechtert de concurrentiepositie ten opzichte van lokale producenten. Fabrikanten van producten met een hoge toegevoegde waarde en ruime marges kunnen deze kosten doorgaans beter opvangen dan fabrikanten van bulkproducten met lage marges.

In het geval van vervoer over grotere afstanden zijn verse producten zoals groente en fruit zijn extra kwetsbaar. Bij de export zijn deze producten veelal afhankelijk van gekoeld vervoer in zogenoemde reefers, waarvan de beschikbaarheid beperkt kan zijn. Bovendien laat hun korte houdbaarheid weinig ruimte om transport uit te stellen of een andere route te kiezen. Lang houdbare producten, zoals noten en conserven, zijn minder gevoelig voor tijdelijke verstoringen. Het transport kan gemakkelijker worden uitgesteld, terwijl schokken in de logistieke keten gedeeltelijk kunnen worden opgevangen door voorraden aan te houden.

Terwijl exporteurs al langer aankijken tegen hoge internationale containervrachttarieven en brandstofprijzen, zijn in 2026 de kosten van Europese binnenvaart ook nog eens opgelopen, mede als gevolg van uitzonderlijk lage waterstanden in belangrijke rivieren zoals de Rijn en de Donau afgelopen zomer.

Handelstarieven raken specifieke ketens

De geopolitiek verhardt, waarbij spelers importtarieven niet schuwen. Het handelsconflict met de Amerika heeft geleid tot een eenzijdig Amerikaans importtarief van 10 procent op alle producten. Dit remt de export naar de Verenigde Staten waarbij het vanuit Nederland met name gaat om vis en sterke dranken. Echter, de sterke daling is mede te verklaren doordat er in 2025 sprake was van extra inkopen en voorraadvorming door Amerikaanse bedrijven in aanloop naar de Amerikaanse invoertarieven.

In tegenstelling tot het generieke Amerikaanse importtarief van Trump zet de Chinese president Xi importtarieven in op zeer gerichte producten en bedrijven. In navolging van een Europees-Chinees handelsconflict geldt momenteel een importtarief op Europese zuivel en varkensvleesproducten. De schade voor de zuivelsector lijkt beperkt doordat de heffingen lager uitvallen dan eerder gecommuniceerd en heffingen niet op alle producten van toepassing zijn. Zuivelreus FrieslandCampina gaf tijdens de presentatie van de jaarcijfers in februari dit jaar dat “vloeibare melk en room worden wel geraakt, maar dat (volume) is beperkt”. 

De heffing op varkensvlees daarentegen doet pijn. De Nederlandse varkensvleessector exporteert vooral delen van het varken die in Europa nauwelijks worden geconsumeerd, zoals poten, oren en ingewanden. Deze exportstroom is belangrijk voor de volledige verwaarding van het varken. Met name onderdelen waarvoor in Europa beperkte consumptievraag bestaat, vinden in China een hoogwaardige afzetmarkt. Vleesverwerker Vion, die werd geconfronteerd met een tarief van 19,8 procent, schrijft hierover op zijn website “Nadat China in september (2025) importtarieven op Europees varkensvlees aankondigde en deze in december bevestigde, ontstond een overaanbod op de Europese markt, waardoor verkoopprijzen onder druk kwamen te staan”.

Aziatisch ambitie voor zelfvoorzienendheid vergroot concurrentie in afzetmarkten

Waar de export op korte termijn vooral wordt geraakt door hoge kosten en handelsbarrières, vormt de toenemende voedselzelfvoorziening in Azië een structureler uitdaging voor de Nederlandse voedselexport. China is een netto-importeur van voedsel, met name van soja en rundvlees. De voedselafhankelijkheid is een doorn in het oog van de Chinese overheid. Het streven naar zelfvoorziening resulteert daardoor in forse investeringen in het verhogen van de binnenlandse landbouwproductiviteit en voedselverwerking. In het nieuwe Chinese vijfjarenplan richt de grootmacht zich, naast opschaling van productie en verbeterde voedselveiligheid, op technologische autonomie met toepassingen van AI in landbouw en hightech in de verwerkende industrie. Dat wordt steeds duidelijker zichtbaar als we kijken naar internationale patenten in Agri- en FoodTech: China zit met beide activiteiten inmiddels in de wereldtop en laat bovendien de hoogste groeicijfers zien in agrifoodinnovaties.

Door dit beleid zal de Chinese voedselproductie de komende jaren verder toenemen, waardoor het land minder afhankelijk wordt van import. De overheid richt zich specifiek op de teelt van granen en de productie van vlees. In sommige productcategorieën is deze strategie al zo succesvol dat China is veranderd van netto-importeur in exporteur.

Die ontwikkeling is goed zichtbaar bij diepgevroren aardappelproducten, zoals friet. Door de stijgende consumptie importeerde China aanvankelijk veel diepvriesfriet. In 2018 waren Europa en Nederland goed voor respectievelijk 43 en 15 procent van de Chinese frietimport. Inmiddels is de Chinese productiecapaciteit sterk uitgebreid, mede dankzij investeringen van westerse bedrijven zoals Lamb Weston, McCain en Aviko. Daardoor is de Chinese import over de periode 2018 – 2024 met 84 procent afgenomen. Tegelijkertijd exporteert China steeds meer friet naar omliggende landen. Hierdoor neemt niet alleen de Chinese, maar ook de bredere Aziatische vraag naar Europese friet af.

Ook India streeft naar een grotere voedselzelfvoorziening, al loopt China daarin duidelijk voorop. Voor Nederlandse bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie betekent dit als de concurrentie in Azië de komende jaren waarschijnlijk toeneemt, terwijl de vraag naar Nederlandse voedselproducten in Azië afneemt.

Nieuwe afzetmarkten en onderscheidend vermogen bieden perspectief

Tegenover deze uitdagingen staan nieuwe kansen. De Europese Unie werkt in hoog tempo aan handelsakkoorden met onder meer Mercosur, Mexico, Indonesië, India en Australië. Het kan echter jaren duren voordat zulke akkoorden volledig zijn geratificeerd en alle afspraken van kracht worden. CETA, het handelsverdrag tussen de EU en Canada, illustreert dit: hoewel grote delen sinds 2017 voorlopig worden toegepast, is het akkoord nog altijd niet door alle EU-lidstaten volledig geratificeerd. Op termijn kunnen de handelsakkoorden Nederlandse foodbedrijven echter toegang tot nieuwe afzetmarkten bieden en de toegang tot grondstoffen uit andere regio’s verbeteren. 

Desondanks wordt groei in exportvolumes van voedingsmiddelen minder vanzelfsprekend. De concurrentiekracht van voedingsmiddelenproducten zal steeds meer afhangen van het vermogen om waarde toe te voegen, bijvoorbeeld met een onderscheidend premium aanbod, hoogwaardige service, voedselveiligheid en betrouwbare levering. Nu handelsstromen minder voorspelbaar worden, biedt een sterk verdienmodel met hoge weerbaarheid meer houvast dan een strategie die vooral is gericht op maximale volumes.

Meer informatie

Lees alle feiten en ontwikkelingen in het rapport 'Stand van de Food Sector'.

Lees verder in de foodsector

De Nederlandse foodsector is koploper op het gebied van efficiency en export. Robotisering, digitalisering en duurzaamheid zijn belangrijke thema’s waarop ondernemers zich onderscheiden ten opzichte van veel internationale concurrenten.

Bekijk alle artikelen

Meld je gratis aan voor onze Insights nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van onze inzichten, tips en trends

Aanmelden