
Foodsector blijft kwetsbaar door afhankelijkheid van aardgas
De oorlog met Iran benadrukt opnieuw hoe kwetsbaar de voedingsmiddelenindustrie is voor stijgende energie‑ en brandstofprijzen. Op de korte termijn zijn bedrijven uit de voedingsmiddelenindustrie deels beschermd tegen hogere gas- en elektriciteitsprijzen doordat zij risico’s hebben afgedekt met een mix aan langlopende energiecontracten.
Download het complete rapport
Lees meer over de economische ontwikkelingen in de foodsector in het rapport 'Stand van de foodsector (april 2026)'.
De pijn zit op de korte termijn hoofdzakelijk in hogere kosten voor wegtransport, containerprijzen en luchtvracht. Zelfs als de oorlog op relatief snel zou worden beëindigd, is de algemene verwachting dat energieprijzen langdurige hoog blijven doordat productie- en transportfaciliteiten van fossiele brandstoffen ernstig beschadigd zijn. Wanneer de energiecontracten later dit jaar aflopen, wordt de sector alsnog geconfronteerd met hogere energieprijzen.
Energieverbruik voedingsmiddelenindustrie beperkt gedaald
De voedingsmiddelenindustrie heeft haar energieverbruik met 5,5 procent weten terug te brengen sinds de energiecrisis van 2022, zie figuur 1. Dit is de helft ten opzichte van het gemiddelde van de Nederlandse economie die een daling van 11 procent wist te bewerkstelligen. Gecorrigeerd voor de afname van de productie van de voedingsmiddelenindustrie over diezelfde periode gaat het om een energiebesparing van slechts 3 procent. Aardgas is met grofweg 70 procent de belangrijkste energiebron in de totale energiemix. De sector probeert in te zetten op energiebesparingen en elektrificatie om het aardgasverbruik terug te dringen. Het aardgasverbruik is, gecorrigeerd voor productievolumes, met 8 procent afgenomen terwijl het elektriciteitsverbruik, gecorrigeerd voor de daling in productievolumes, met 12 procent is toegenomen.
Bedrijven die hebben geïnvesteerd in verduurzaming en elektrificatie hebben tijdens deze energiecrisis een competitief voordeel ten opzichte van bedrijven die dat niet hebben gedaan. Allereerst doordat zij minder energie verbruiken. Daarnaast is de koppeling tussen de gas- en elektriciteitsprijzen is in 2026 veel minder sterk dan tijdens de energiecrisis van 2022, zie figuur 2. Dit komt doordat in Europa is geïnvesteerd in opwek van duurzame energie, energiebesparende technieken en diversificatie van gastoevoer en -opslag via onder andere LNG. De prijs voor elektriciteit is daardoor fors lager dan voor aardgas. Bedrijven die hebben geëlektrificeerd weten daarom nu te profiteren van de relatief lagere stroomprijzen.
Het aardgasverbruik is afhankelijk van het bewerkingsproces en verschilt per sector aanzienlijk. Figuur 3 geeft voor 2024 het energieverbruik per energiebron weer voor de verschillende sectoren, evenals de procentuele daling ten opzichte van 2021. De meelindustrie heeft haar aardgasverbruik met 24 procent weten terug te dringen over de periode 2021 – 2024, desalniettemin blijft ze voor 89 procent afhankelijk van aardgas. Slachterijen daarentegen kennen met 42 procent een relatief lage afhankelijkheid van aardgas en hebben gezamenlijk een aardgas reductie van 9 procent behaald.
Verduurzaming stokt
De huidige energiecrisis laat wederom de sterke afhankelijkheid van fossiele energiebronnen zien in de voedingsmiddelenindustrie. Investeren in elektrificatie en verduurzaming lijkt daarom logisch, maar de transitie binnen de sector loopt achter ten opzichte van de Nederlandse economie als geheel.
De voedingsmiddelenindustrie gebruikt aardgas hoofdzakelijk voor stoom- en warmteproductie die nodig is voor verschillende voedselverwerkings- en reinigingsprocessen. Figuur 4 geeft de benodigde temperatuur weer voor diverse verwerkingsprocessen, al vraagt het opwekken van die warmte stoom van veel hogere temperaturen . Verwerkingsprocessen boven de 100 graden zoals pasteuriseren, verdampen en drogen van voedsel zijn technisch gezien lastig te elektrificeren. Waterstof kan vanuit technisch perspectief een alternatief bieden, maar is economisch niet rendabel.
Verwerkingsprocessen met lage temperaturen kunnen relatief goed vervangen worden door bijvoorbeeld geothermie of restwarmte. Maar de beschikbaarheid van deze alternatieven is zeer beperkt en locatieafhankelijk. Elektrificatie via een e-boiler of warmtepomp is een optie, maar vraagt grote hoeveelheden elektriciteit. Netcongestie is daarbij een groot obstakel. Bedrijven die willen elektrificeren kunnen niet de benodigde aansluiting of verzwaring van bestaande aansluiting krijgen.
Investeringen vragen langere looptijd contracten
Tot slot is de financieringsstructuur in de sector een obstakel. Bedrijven uit de voedingsmiddelenindustrie investeren slechts eens in de 10 tot 20 jaar in nieuwe machines. Duurzame alternatieven kennen vaak een langere terugverdientijd dan conventionele aardgas-installaties, onder andere doordat de aardgas infrastructuur al aanwezig is, duurzame opties duurder en technisch minder robuust zijn. Om toch voor het duurzame alternatief te kiezen is het noodzakelijk dat bedrijven afzetgaranties voor een lange termijn hebben. Dit staat haaks op de realiteit in de voedingsmiddelenindustrie waarbij afzetcontracten vaak slechts voor één of twee jaar worden afgesloten. Financieringsmogelijkheden voor duurzame alternatieven worden daardoor beperkt, ondanks de potentiële kostenbesparing en emissiereductie op de lange termijn. Ook de komende jaren zijn veel ondernemers in de voedingsmiddelenindustrie daarom nog aangewezen op de grillen van de aardgasmarkt.
Meer informatie
Lees het gehele artikel en meer over de economische ontwikkelingen in de foodsector in het rapport 'Stand van de foodsector (april 2026)'.
Lees verder in de foodsector
De Nederlandse foodsector is koploper op het gebied van efficiency en export. Robotisering, digitalisering en duurzaamheid zijn belangrijke thema’s waarop ondernemers zich onderscheiden ten opzichte van veel internationale concurrenten.