
Gematigde groei bouw ondanks volle orderboeken
De bouw groeit in 2026 en 2027 gematigd, al is de forse bouwopgave voor meer woningen en een toekomstbestendige infrastructuur evident. Structurele knelpunten, zoals netcongestie, arbeidstekorten en gaten in overheidsbudgetten drukken het vooruitzicht. Daarnaast zet de nasleep van de Iran-oorlog marges onder druk.
De bouwnijverheid liet in 2025 duidelijk herstel zien, gedreven door een sterk jaar voor de infrabouw en afnemende krimp in de woning- en utiliteitsbouwproductie. Dit herstel was breder zichtbaar in de keten. Architecten, ingenieurs en installateurs realiseerden omzetgroei, terwijl de installatiebranche en de bouwmaterialenindustrie hun omzetkrimp zagen afnemen.
Het herstel in de bouw werd gedragen door een relatief sterke economische ontwikkeling in Nederland. De Nederlandse bbp-groei was bovengemiddeld ten opzichte van andere EU-landen en inflatie en rente stabiliseerden. Daarnaast kwam de sector in rustiger vaarwater na de eerdere kostenschokken als gevolg van de oorlog in Oekraïne: materiaalkosten stabiliseerden, terwijl loonstijgingen gematigder waren dan in de jaren ervoor. De vraag bleef sterk, gedreven door woningbouw en grond-, weg- en waterbouw. Ondanks aanhoudende knelpunten zoals netcongestie, arbeidstekorten en het stikstofvraagstuk zorgde dit voor voorzichtig optimisme in de sector.
In 2025 leek daarmee een omslagpunt bereikt. Inmiddels zijn de vooruitzichten echter opnieuw onzeker. Geopolitieke spanningen nemen toe en de oorlog in het Midden-Oosten ontregelde energievoorziening en toeleveringsketens. Hoewel de opening van de Straat van Hormuz soelaas lijkt te bieden, zullen de effecten blijven doorwerken in de Nederlandse economie en de bouwsector. Stijgende energie- en materiaalkosten zetten de sector onder druk.
Ondanks deze tegenwind blijft de productie in delen van de bouw redelijk op peil en verwacht ABN AMRO gematigde groei voor de sector. Veel woningbouwprojecten worden in 2026 en 2027 opgeleverd en ondersteunen zo de productie. De infrasector groeit door, geholpen door de alsmaar groter wordende onderhoudsopgave en profiteert daarnaast van veel vraag naar investeringen in energietransitie, klimaatadaptatie en waterkwaliteit. Ingenieurs en installateurs hebben hier baat bij, zij het in mindere mate. De utiliteitsbouw blijft kwetsbaar, maar er ontstaan – mede gedreven door wet- en regelgeving met betrekking tot duurzaamheid, zoals de Energy Performance Building Directive (EPBD IV) – kansen in onderhoud en renovatie van bestaande bedrijfspanden. De bouwmaterialenindustrie profiteert tijdelijk van de verstoring van toeleveringsketens, gedreven door een toename van orders vanuit klanten die hun voorraden willen aanvullen.
Groei woningbouw gematigd ondanks solide vergunningverlening
Het herstel van de woningbouw in 2025 zet door, maar de productie blijft achter bij de groei in het aantal verleende vergunningen voor nieuwe woningen. Wij verwachten voor 2026 een groei van 2,0 procent, gevolgd door 1,5 procent in 2027. Daarmee houdt de opwaartse lijn aan, al blijft het door minister Boekholt-O’Sullivan (VROM) bekrachtigde doel van 100.000 nieuwe woningen per jaar voorlopig buiten bereik.
De minister toont daadkracht en wil de woningbouw de komende jaren versnellen via efficiëntere processen en meer industrieel bouwen. Het aandeel fabrieksmatig geproduceerde woningen moet groeien van 20 procent naar 50 procent, wat standaardisatie en schaalvergroting vereist, maar ook kansen biedt voor hogere productiviteit en minder afhankelijkheid van personeel. Ook bevordert het bouwen met industrieel gefabriceerde onderdelen de duurzaamheid van de bouw.
De minister stelt verder voor om de bouwregelgeving te vereenvoudigen en houdt vast aan het programma STOER (Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving) om de regeldruk verder te verminderen. Ook de Wet versterking regie volkshuisvesting moet zorgen voor meer sturing op nieuwbouw, met nadruk op snellere procedures en verplichte regionale programmering. Ten slotte moet de versoepeling van regels rond middenhuur bouwprojecten meer rendabel maken en zo de woningbouw stimuleren.
Vergunningverlening vertaalt zich vooralsnog vooral in groeiende bouwpijplijn
Naast de inzet van het kabinet – waarvan de effecten op de bouwproductie pas met vertraging zichtbaar worden – lijkt de solide vergunningverlening in 2024 en 2025 in eerste instantie een positief signaal voor de toekomstige productie.
Toch vertaalt de toename in het aantal vergunningen zich vooralsnog vooral in een groeiende bouwpijplijn, en minder in daadwerkelijke productie. Vergunningen zijn steeds minder een goede voorspeller van de ontwikkeling van de bouw op korte termijn. Door beperkte capaciteit en structurele knelpunten kan simpelweg niet alles wat vergund is ook tijdig worden gebouwd: arbeidstekorten en de bezwaarprocedures die aangespannen worden tegen bouwprojecten remmen de productie af.
Netcongestie vormt daarbij een groeiende bedreiging, zeker nu vanaf 1 juli in bepaalde regio’s een aansluitstop voor kleinverbruik, ofwel woningen, gaat gelden. Dit vraagt om intensieve samenwerking tussen gemeentes, netbeheerders, ontwikkelaars en woningbouwers om tot slimme oplossingen te komen. Daarnaast is drinkwatercongestie een opkomende belemmering en kan de Kaderrichtlijn Water vanaf 2027 voor vertraging bij de uitvoering van projecten zorgen.
De genoemde knelpunten vertalen zich in oplopende doorlooptijden. Waar woningen in 2019 gemiddeld binnen 21 maanden werden opgeleverd, is dit inmiddels gestegen tot ruim 28 maanden: een toename van circa een derde. Hierdoor stapelen projecten in de pijplijn zich op. Met name de ‘bouw-gestart pijplijn’ is sinds begin 2023 sterk toegenomen (ruim 40 procent), terwijl de bouwproductie in 2025 juist licht kromp. De orderportefeuilles zijn goed gevuld, maar dat vertaalt zich nog onvoldoende in de gewenste output aan nieuwbouwwoningen.
Terwijl de oplopende doorlooptijden van bouwprojecten in de afgelopen jaren tot tegenvallende nieuwbouwproductie leidde, verwachten wij dat juist in de tweede helft van 2026 en in 2027 veel projecten opgeleverd zullen worden die al langere tijd in aanbouw zijn. Dit biedt stevige ondersteuning aan zowel de bouwproductie als de omzetontwikkeling en vormt de basis voor positievere vooruitzichten voor de nieuwbouw. Onder de streep verwachten we een gematigde groei in de woningbouw, vanwege de structurele beperkingen waar de sector mee kampt. Ook de effecten van het conflict in het Midden-Oosten, met onder meer stijgende bouwkosten als gevolg, hebben een dempend effect op de verwachte productiegroei.
Utiliteitsbouw zwakker, muziek zit vooral in onderhoud
Wij verwachten dat de utiliteitsbouwproductie blijft krimpen, met 2 procent in 2026, waarmee de neergaande lijn van voorgaande jaren wordt voortgezet. Ook in 2027 houdt de krimp aan, met een afname van 1 procent. Pas daarna zien we ruimte voor voorzichtig herstel. Bedrijven en gebruikers van andere soorten utiliteitsgebouwen kunnen extra vraag vaak nog opvangen binnen bestaande capaciteit, waardoor de noodzaak voor uitbreiding of nieuwbouw beperkt blijft.
Dit is opmerkelijk aangezien de Nederlandse industrie in de afgelopen maanden van de geopolitieke spanningen in het Midden-Oosten profiteerde: door verstoringen van toeleveringsketens van en naar Azië hebben Nederlandse raffinaderijen hun productie verhoogd om te kunnen voldoen aan extra vraag naar brandstoffen en kunststoffen. Daarnaast profiteerde de Nederlandse industrie van verhoogde vraag vanuit afnemers die vreesden voor tekorten en voor nog hogere grondstofprijzen.
Wij verwachten echter dat dit effect tijdelijk is. Daarom vertaalt zich het recente optimisme niet direct in toenemende investeringen in nieuwe industriële bedrijfsgebouwen. Dit geldt ook voor niet-industriële bedrijfsgebouwen. Wij zien krimp in het aantal nieuwbouworders en een daling van de vergunningverlening in de utiliteitsbouw, uitgedrukt in bouwkosten. Beide indicatoren wijzen op lagere te verwachten bouwproductie. Dit effect wordt versterkt door de toenemende geopolitieke onzekerheid, waardoor wij verwachten dat de meeste ondernemers grote investeringen in nieuwe gebouwen uit blijven stellen.
Renovatie biedt binnen de utiliteitsbouw relatief meer perspectief. Veel bestaande gebouwen zijn verouderd en vragen om verduurzaming, modernisering of functiewijziging, wat de vraag naar renovatie ondersteunt. In 2025 was er al een gunstiger beeld te zien in de vergunningverlening. Ook wordt verduurzaming via wet- en regelgeving steeds vaker geforceerd, bijvoorbeeld via de EPBD IV. Deze Europese richtlijn vereist onder meer meting van gebouw-gerelateerde broeikasgasemissies en de verplichte uitfasering van de slechtste energielabels. Ook de Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) gaat naar verwachting de groei bevorderen. De regeling geeft financiële steun aan eigenaren van gebouwen met een maatschappelijke functie voor het verduurzamen van hun pand, via bijvoorbeeld betere isolatie, warmtepompen of zonnepanelen.
Ten slotte zijn aanpassingen aan bestaand vastgoed binnen huidige beperkingen als netcongestie en stikstofregels vaak beter inpasbaar dan nieuwbouwprojecten. Bedrijven kiezen daardoor vaker voor optimalisatie van bestaande locaties in plaats van uitbreiding, waardoor renovatie en herontwikkeling een stabielere groeibasis vormen binnen een verder zwakkere utiliteitsbouw.
Daarnaast biedt de groeiende defensieopgave diversificatiemogelijkheden voor orderportefeuilles van aannemers actief in de utiliteitsbouw. De opschaling van de krijgsmacht gaat gepaard met een toename van de productie van defensiematerieel binnen Nederland en de Europese Unie. Bedrijven die hierop inspelen zullen hun productiecapaciteit moeten uitbreiden, wat kan leiden tot extra vraag naar nieuwe bedrijfsgebouwen.
Infra blijft groeimotor voor bouw, maar risico’s nemen toe
De infrabouwbranche heeft in de afgelopen jaren forse groei laten zien. De toegevoegde waarde in de grond-, weg- en waterbouw (GWW) steeg de afgelopen drie jaar gemiddeld met circa 10 procent. Voor de komende jaren gaat de groei doorzetten, zij het in een lager tempo. Voor 2026 en 2027 verwachten wij een groei van respectievelijk 2,5 procent en 1,5 procent. De vraag naar grond-, weg- en waterbouw is onverminderd groot. De orderportefeuilles zijn in zes jaar tijd opgelopen van circa 6,5 naar ruim 10 maanden werk. Dit wijst op een goed gevulde pijplijn. Echter zullen knelpunten zoals netcongestie, arbeidstekorten en stikstof in toenemende mate de snelheid van de groei beperken. Ook wordt de branche geraakt door de economische gevolgen van de nasleep van de oorlog in het Midden-Oosten. Onder de streep zijn er binnen de branche volop kansen, echter spelen ook aanzienlijke risico’s.
Tot 2030 wordt de vraag in de infrabouw in toenemende mate gedreven door de vervanging -en onderhoudsopgave. De aandacht verschuift steeds meer van nieuwbouw naar het herstellen en vervangen van verouderde infrastructuur. Rijkswaterstaat zet hier stevig op in en reserveert in het Meerjarenplan Instandhouding extra middelen voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing. Ook aanvullende investeringen in het kader van de NAVO-norm versterken de vraag naar renovatie en vervanging. Ook gemeenten, provincies en waterschappen hebben in toenemende mate te maken met onderhoudsgerelateerde werkzaamheden.
En toch zijn de overheidsbudgetten ontoereikend. Volgens het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) zijn er tot 2040 maar liefst 80 miljard euro – ofwel gemiddeld 6 miljard per jaar – extra nodig voor onderhoud en vervanging van bestaande infrastructuur.
De geopolitieke ontwikkelingen vormen een aanvullend risico. De infrabranche is energie- en materiaalintensief, met een sterk gebruik van onder meer bitumen, metalen, kunststoffen en brandstoffen voor materieel. Stijgende energie- en materiaalprijzen in de nasleep van de oorlog in het Midden-Oosten blijven doorwerken in de kosten en drukken zo op haalbaarheid en marges van projecten.
Ook netcongestie brengt uitdagingen met zich mee. Met name projecten die niet als prioritair maatschappelijk belang worden aangemerkt kunnen moeilijker toegang krijgen tot schaarse netcapaciteit. Tegelijkertijd vormt het overvolle stroomnet juist een kans omdat het leidt tot extra vraag. De uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet is een omvangrijke, meerjarige opgave die de sector veel werk zal opleveren. Deze investeringen zijn nodig om het net geschikt te maken voor de energietransitie, met meer duurzame opwek uit zon en wind, verdere elektrificatie van industrie en mobiliteit en een groeiende behoefte aan opslag- en laadinfrastructuur.
Daarnaast speelt waterkwaliteit een steeds belangrijkere rol. Gemeenten en waterschappen investeren fors in waterbeheer, mede door de deadline van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2027. Dit is zichtbaar in het sterke herstel van de overige civieltechnische bouw, zoals dijken en waterwerken: na een scherpe daling in 2024 herstelde het volume in 2025 tot het niveau van 2021. Deze groei zal naar verwachting doorzetten, gedreven door investeringen in onder meer rioolwaterzuivering en waterinfrastructuur.
Installateurs: lichte groei gedragen door aantrekkende woningbouw
Na jaren van sterke omzetgroei heeft de installatiebranche sinds 2024 te maken met een terugval in de vraag, vooral door de afkoeling in de markt voor warmtepompen en zonnepanelen als gevolg van wisselend overheidsbeleid. Voor de komende jaren verwachten wij echter voorzichtig herstel, met een volumegroei van circa 1,5 procent in 2026 en 2027, waarbij de groei van de woningbouw een belangrijke aanjager is.
De langetermijnvooruitzichten blijven positief. Het aandeel installaties in de totale bouwkosten – de zogeheten installatiequote – neemt verder toe. Deze installatiequote is een indicator voor de hoeveelheid werk voor installateurs, zoals verwarming, ventilatie, elektriciteit en slimme systemen. Door strengere duurzaamheidseisen en toenemende technische complexiteit groeit deze structureel.
Zowel in woningen als bedrijfsgebouwen worden installaties steeds belangrijker. In woningen gaat het bijvoorbeeld om warmtepompen, ventilatiesystemen, zonnepanelen en laadpalen, terwijl in bedrijfsgebouwen de nadruk ligt op klimaatinstallaties, gebouwautomatisering en energiebeheer. Deze ontwikkeling wordt gedreven door verduurzaming, comforteisen en regelgeving, maar ook door de toenemende elektrificatie en digitalisering van gebouwen.
Tegelijkertijd staat de sector voor duidelijke capaciteitsuitdagingen. Personeelstekorten blijven hardnekkig, mede door vergrijzing en de groeiende vraag naar nieuwe digitale en technische vaardigheden. Door consolidatie is de markt minder versnipperd, waardoor schaalgrootte en productiviteit belangrijker worden. Verdere innovatie en standaardisatie zijn nodig om aan de stijgende vraag te blijven voldoen en de arbeidsproductiviteit te verhogen.
Architecten profiteren beperkt van groei woningbouw
Net als de installatiebranche profiteren architecten van de aantrekkende woningbouw, die traditioneel de belangrijkste bron van opdrachten vormt. Een stijging van de nieuwbouwproductie zorgt voor meer werk, na een lichte terugval in de orderportefeuilles in 2025. De omzetgroei blijft met 0,5 procent in 2026 en 1,5 procent in 2027 echter achter bij die in de woningbouw, doordat bouwers veel capaciteit besteden aan het afronden van lopende projecten. Architecten spelen juist een rol in het ontwerp. Architecten die zich richten op renovatie, transformatie en herontwikkeling opereren in een stabielere en minder conjunctuurgevoelige markt.
Grote transities stuwen groei ingenieursbureaus
Ingenieursbureaus hebben gunstige vooruitzichten, na vier jaar van aanhoudende groei in omzet. De sector profiteert van een brede spreiding van activiteiten, zowel binnen als buiten de bouw. Grotere bureaus zijn doorgaans goed gediversifieerd over woningbouw, utiliteitsbouw, infrastructuur en milieuadvies en beschikken vaak over een internationale aanwezigheid. Dit stelt hen in staat hun activiteiten flexibel aan te passen aan veranderende marktomstandigheden. Kleinere, meer gespecialiseerde bureaus zijn juist kwetsbaarder voor schommelingen binnen specifieke segmenten. Al met al verwachten we voor de komende jaren een omzetgroei van 2 procent in 2026 en 3 procent in 2027.
De vraag naar ingenieursdiensten wordt in toenemende mate gedreven door grote maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en verduurzaming. Daarnaast zorgen complexe ruimtelijke vraagstukken – waaronder netcongestie, stikstof en waterkwaliteit – voor een structureel sterke vraag naar technische expertise. Voor ingenieursbureaus verwachten we dan ook verdere omzetgroei. Wel vormt ook hier de krappe arbeidsmarkt een belangrijke rem: het tekort aan hoogopgeleide technici – mede veroorzaakt door vergrijzing – beperkt de groeimogelijkheden.
Bouwmaterialenindustrie voelt duidelijk economische gevolgen Iran oorlog
De bouwmaterialenindustrie heeft het sinds 2023 moeilijk, met een gemiddelde jaarlijkse productiekrimp van circa 6,5 procent. De oorlog in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat de sector tijdelijk profiteert van extra orders vanuit gebruikers die hun voorraden willen aanvullen. Producenten kunnen echter gestegen energie- en grondstofprijzen vaak maar gedeeltelijk doorberekenen, waardoor de marges onder druk komen. In hoeverre bedrijven dit kunnen opvangen verschilt en hangt onder meer samen met hun productportfolio, contractvoorwaarden, kaspositie, vaste lasten en marktmacht. Gemiddeld verwachten we voor de bouwmaterialenindustrie een groei van 1 procent in 2026 en stagnatie in 2027.
Een stapje voor met onze sectorexpertise
Voor elke ondernemer is het belangrijk om te weten wat er nu speelt, maar vooral wat er komen gaat. Baseer beslissingen op de ontwikkelingen en trends in de sector. Onze sectorexperts weten wat er speelt. Zie waar de kansen liggen. Nét dat stapje voor.
Lees verder in de bouwsector
De Nederlandse bouwsector is het economische en maatschappelijke fundament onder veel andere sectoren. De sector kent verschillende uitdagingen zoals het stikstof-dossier, netcongestie, personeelstekorten en de noodzaak van productiviteitsverbetering. Geholpen door technologische innovaties en digitalisering, vindt de sector een antwoord op de uitdagingen en veranderende wet- en regelgeving. Daarbij is inzet van de hele keten nodig, van ingenieurs tot en met installateurs. Nu thema's als energie efficientie, milieu-impact, circulariteit en prefabricage aan relevantie winnen, zoekt de bouwsector naar een nieuw evenwicht tussen ambities, haalbaarheid en uitvoering.
